Openingstijden:

dinsdag tot en met zondag van 11.00 tot 17.00 uur
extra open op maandag 15 en 22 oktober

+

Nieuws

Openingstoespraak Jannah Loontjens

Gesproken tekst van schrijver Jannah Loontjens

17 juni 2018 – Drents Museum – opening Atousa Bandeh - History as a poem

“Ik ken Atousa inmiddels al bijna veertien jaar. In de loop der jaren hebben we over veel dingen gesproken, we hebben als vriendinnen, maar ook als collega-kunstenaars – ik ben een schrijver, zij een beeldend kunstenaar, maar we maken ons over veel vergelijkbare dingen druk, en kunnen elkaar vinden in een onderzoekende, en verwonderende wijze van naar de wereld kijken – we hebben dus als vriendinnen, maar ook als collega’s veel samen geanalyseerd, het leven, mensen, films, literatuur, de liefde, moederschap en kunst, om maar wat onderwerpen te noemen.
In al de jaren waarin ik Atousa heb ik  leren kennen, heb ik ook haar ontwikkeling als kunstenaar gevolgd.
Het eerste grote werk dat ik van haar zag was een film – ik geloof ‘My Own 1000 M2’ - daarna volgden tekeningen, schilderijen.

Hoewel deze werken op het eerste gezicht zeer verschillend lijken, zag ik toch ook vanaf het begin thema’s die de werken onderling met elkaar verbonden. Thema’s, onderwerpen, maar ook een wijze van naar de wereld kijken, herkende ik in al haar verschillende werken. 
Ik herkende het in haar kleurgebruik, dat schitterend is, zowel in haar films als in haar schilderijen zijn de kleuren overweldigend – een bloeiende kersenboom, het blauw van een zomerlucht, de uitgestrekte tinten van droge grond…

In Atousa’s ogen moet een bijzonder gevoel voor esthetiek huizen – ze bezit een blik die de pijn, maar ook de schoonheid ziet van de verlorenheid van het zoekende individu – een verlorenheid die overigens niet alleen verbeeld wordt in portretteringen van mensen, maar ook in beelden van uitgestrekte, lege natuur – kale straten, verlaten kruispunten, bouwplaatsen en ontmantelde gebouwen.

We staan hier in het Drents museum, waar naast het werk van Atousa ook aandacht is voor historische artefacten uit Iran. Atousa wordt hierdoor als een Iraanse kunstenaar geframed. Wat ze ook is; Atousa Bandeh is een kunstenaar met Iraanse achtergrond.
Maar Atousa’s werk overstijgt ook haar afkomst, of onttrekt zich aan haar afkomst, het is werk waarin wij ons allemaal kunnen herkennen. 

Atousa portretteert een wereld waarin we allemaal zoekende individuen zijn. Vandaar dat we ons allemaal tot haar werk kunnen verhouden.

Haar schilderijen overweldigen door de eerste indruk, maar worden nog interessanter als je ze van nabij bekijkt – dan zie je ineens dat in het patroon dat op versiering lijkt, foto’s van demonstraties zijn verwerkt of foto’s van de begraafplaats van de dichter Hafez.

Het schilderij waar ik nu aan denk is het werk Apple Tree, dat als een herinnering aan haar kindertijd alle tegenstrijdigheden in zich opneemt, aardbeienijsjes, familie, veiligheid, maar ook dreigend gevaar – een vergelijkbare spanning zie je op Birthday, waarop een meisje twaalf wordt – er is feest, maar ook angst, gevoel van onheil, de gevechtsvliegtuigen die overvliegen, de wolven die loeren….
Over loeren gesproken, het zijn vaak de mannen die loeren – als beschermers, wakende ogen, maar ook als wolven, roofdieren die kunnen toespringen, macho’s met lust in de ogen.

In veel van Atousa’s werk staat vrouwelijkheid centraal, de kwetsbaarheid die je voelt, of aangepraat krijgt als jong meisje, het spel van verleiding, haren en benen, die vaak bedekt moesten worden, begrenzingen die je voelt als vrouw, maar ook het ‘geven’ van de vrouw, van de moeder, het beschermen van kinderen…

Atousa’s schilderijen vertellen verhalen, maar niet als duidelijke narratieven, zoals Iraanse wandkleden dat deden, maar meer op een poëtisch, associatieve wijze. Laatst had ik het over de term ‘poëtisch’ met Atousa, want enerzijds is haar werk zeer poëtisch, maar er is ook iets dat niet klopt aan deze term, het klinkt te romantisch, te lief en zacht, terwijl haar werk ook pijn doet, schuurt en knelt. 
Wat poëtisch is aan Atousa’s werk, is niet zozeer de schoonheid, maar het associëren van beelden, het opkomen van indrukken, symbolen, beeldspraken, herinneringen en denkbeelden.

Als ik naar Atousa’s werk kijk, lijkt het alsof ze de laatste twee jaar in een nieuwe periode is aanbeland, een periode waarin er meer aandacht is voor de stad – de stad als de vergaarbak van vele identiteiten, mensen van verschillende afkomst, rijken, armen, daklozen, mensen die allemaal langs elkaar heen bewegen, lopend, fietsend, in auto’s, bussen en trams – of soms balancerend op een koord.
Dit is de fascinerende grootsteedse choreografie waarin we allemaal zijn opgenomen, anoniem, en toch samen.
We delen een ruimte, maar dringen amper in elkaars bestaan door.

Hier voel ik opnieuw de eenzaamheid, die ook in Atousa’s vroegere werken zo doordringend is. Het gaat hier om een existentiële eenzaamheid – schitterend verbeeld, bijvoorbeeld ook door de scharrelende, dwalende moederhond in de filminstallatie die in deze tentoonstelling is opgenomen. 
In diezelfde installatie zien we een meisje balanceren op een koord – het is ongelooflijk knap wat ze doet – maar vrijwel niemand heeft er aandacht voor, sommigen blijven even staan, maar niemand lijkt er echt van op te kijken of er met gepaste verwondering op te reageren. Het is juist deze schijnbare doelloosheid waar Atousa’s oog op valt. 
Het is zo vreselijk knap, wat dat meisje doet, maar het is haar verlorenheid, het gebrek aan applaus en bewondering die deze beelden zo krachtig maken – die iets zeggen over onze menselijkheid, hoe we allemaal ploeteren, gezien willen worden, onze kunstjes opvoeren – hoe we samenhang zoeken, verbondenheid, maar toch ook altijd alleen blijven.
Het is deze tragedie van de menselijkheid, van de verlorenheid, die ik terughoor in de huilende man aan het eind van de video installatie, een jammerklacht die ons allen aangaat. Des te doordringender omdat het een man is die huilt.

Atousa gaf deze tentoonstelling de titel ‘History as a poem’ – als we kijken naar de geschiedenis, naar de ontwikkeling van onze samenleving, de beschaving, de civilisatie, dan is er veel gebeurd. Er is veel opgebouwd en veel afgebroken. Maar een ding is onverminderd gebleven: de verlorenheid van de mens.

Ik zei eerder dat het lijkt alsof Atousa in de laatste jaren een nieuwe fase is ingegaan, toen ik dat zei dacht ik ook hieraan: aan de aandacht voor onze civilisatie, in de vorm van kruispunten, bouwplaatsen, maar ook de lopende band waar we op staan in een vliegveld – ook deel van de video-installatie – de eindeloze rijen geparkeerde auto’s, onze beschaving is ver gekomen, we bewegen ons over de aarde voort in auto’s, vliegen in vliegtuigen, maar heeft dit ons werkelijk veranderd? Voelen we ons er minder eenzaam door?

Bij geschiedenis hoort opbouw, maar ook afbraak. Atousa heeft oog voor beiden, in letterlijke zin: zij schildert bouwplaatsen, maar ook gebouwen die worden opgeblazen, gebouwen die worden neergehaald en die ruimte moeten maken voor vernieuwing.
    
Explosies vormen een symbool van hevige destructie, maar op haar schilderijen voel je ook de kracht van de explosie, de kracht waarmee stofwolken opwaaien – er wordt hier iets vernietigd, maar dit is tegelijkertijd omdat er iets nieuws zal ontstaan. Sterker nog: de explosie in zichzelf is iets, maakt iets, creëert.

Dit is de beweging van de tijd die creëert door te vernielen, door uit te wissen, dit is de beweging van verandering, van leven en geschiedenis.
Ik vind deze wending in Atousa Bandeh’s werk een bijzonder sterke en fascinerende ontwikkeling waarin alles lijkt samen te komen: gevaar, angst, de kwetsbaarheid van ons bestaan, maar ook kracht en de esthetiek van de verlorenheid, van de menselijke wanhoop.”

 

Jannah Loontjens

Openingstoespraak bij tentoonstelling History as a poem van Atousa Bandeh op 17 juni 2018
Drents Museum, Assen