In 1938 trouwt Amrita Sher-Gil met haar neef Victor Egan. Hij wordt arts in het Hongaarse stadje Kiskunhalas. In die periode dompelt Sher-Gil zich opnieuw onder in een cultuur waarin zij deels haar wortels heeft: de Hongaarse kunst. Vanwege de oorlogsdreiging besluit het echtpaar al in 1939 te verhuizen, naar India. Maar Egan is daar niet welkom bij zijn schoonouders. Maandenlang leiden Sher-Gil en haar man een nomadenbestaan. In 1941 vestigen ze zich in Lahore, Noord-India.
Sher-Gil ontwikkelt haar werk verder. Ze experimenteert met vorm en kleur en schildert gestileerder, met minder details. De Indiase miniatuurkunst is een grote inspiratiebron. Ze kan deze nieuwe richting in haar kunst laten zien bij een grote solotentoonstelling in Lahore, maar vlak voor de opening wordt ze ziek. Op 5 december 1941 overlijdt ze, op slechts 28-jarige leeftijd. De doodsoorzaak blijft raadselachtig. Amrita Sher-Gil raakt niet in de vergetelheid. Ze legt de basis voor de moderne kunst in India.